0
products in your shopping cart
Total:   € 0.00 details
There are no products in your shopping cart!
We hope it's not for long.

Visit the shop

Art Nouveau

De naam Art Nouveau of Jugendstil werd gegeven aan de stijlvernieuwing in Europa tussen ca. 1890 en 1910, die zich in vrijwel alle kunstuitingen manifesteerde. De term “Jugendstil” is ontleend aan het sinds 1896 te münchen uitgegeven tijdschrift Die Jugend, waarvan Otto Eckmann de eerste jaargangen met karakteristieke vignetten en randversieringen illustreerde.

 

De Franse term Art Nouveau is ontleend aan een aldus genoemd etablissement voor decoratieve kunst van Samuel Bing in Parijs. In Groot Brittanië spreekt men van jugendArt Nouveau, modern style of Liberty style, naar de firma Liberty & Co, te Londen. In Italië van Stile Lliberty of Stile Floreale, in Oostenrijk over Sezessionstil, naar de weense groep Sezession.

In de 19e eeuw ontwikkelde de smaak van de burgerij en ambachtslieden zich in een spiraal naar beneden. Wanstaltige stijlen, van Neoclassicisme via Neogotiek naar zelfs Neorococo , werden massaal vervaardigd. Na de bloeitijd van de Biedermeier Stijl verviel men tot hopeloos imiteren met goedkope materialen om aan de grote vraag te kunnen voldoen. De ijdele pronkzucht van de nieuwe burgerij, rijk geworden door de grote bloei van de handel en industrie, weerspiegelde zich in opzichtige, vaak exotische interieurs, die het gebrek aan creativiteit geluiddicht ondersneeuwden. Alom overheersten pauwenveren, zware draperieën en overdadig verguldsel.

Natuurlijk ontstonden er stromingen die tegenspel boden. In Engeland ontstond de Arts & Crafts beweging onder de bezielende leiding van inspirators als Morris, Ruskin en Pugin. Arts & Crafts keerde zich tegen de overdadige excessen van het Victoriaanse moederland, de massaproductie, de slordige machinale uitvoering van het product. Arts & Crafts introduceerde ambachtelijk gemaakte meubelen van hoge kwaliteit, verzorgde de gehele aankleding van interieurs, van wandbekleding tot lampen en dit alles tot een homogeen geheel, rustig en voornaam. Zij hield vast aan traditionele constructiemethoden. De meubelen, alhoewel modern en strak van uitvoering, hadden het patina van de middeleeuwen. Maar het Arts & Crafts-ideaal om fraaie, degelijke en betaalbare objecten te maken voor de “gewone man” mislukte jammerlijk, daar het handwerk te kostbaar bleek. Een kunstzinnige geslaagde, maar sociaal gefaalde onderneming. Op het Europese Continent heerste alom bewondering voor de Arts & Crafts beweging en begreep men de uitdaging om een nieuwe kunstvorm te scheppen, wederom gebaseerd op inventieve creativiteit en gedegen vakmanschap, zoals gebruikelijk en noodzakelijk bij eerdere baanbrekende stromingen binnen de Beeldende Kunst. Maar men ging voorbij aan het sociale element, een, alhoewel mislukt, belangrijk uitgangspunt van de Arts & Crafts, zodat de Art Nouveau, vanaf het prille begin een luxe, kostbare kunst is geweest, slechts betaalbaar door een handjevol liefhebbers.

Er waren twee duidelijke stromingen binnen de beweging. Enerzijds de asymmetrische, golvende lijnen in pasteltinten zo kenmerkend voor de Franse en Belgische Stijl,( denk bijvoorbeeld aan de Parijse metro-ingangen van Hector Guimard of aan de architectuur van de Belg Horta).fremiet copy

Anderzijds de veel strakkere gestileerde stijl in heldere kleuren van de Hollanders (Berlage) en de Oostenrijkers (Wiener Werkstätte). De ornamentaal-decoratieve stijl van de Art Nouveau kenmerkt zich door de gestileerde, organische, vaak asymmetrische vormen van ornamenten en arabesken. Vooral in kunstnijverheid en architectuur kwam de Jugendstil tot grote bloei. Men putte onder andere inspiratie uit de Japanse prentkunst met een ander perspectief dan het in Europa gebruikelijke. Men zocht naar motieven uit de Flora (de iris, de papaver e.d) en de Fauna (de libelle, de zwaan, de pauw). Een veel voorkomende motief was de vrouw met de lange, golvende haren, waarvan in Oostenrijk Gustav Klimt en in Frankrijk de Tsjech Alphonso Mucha tot de meest bekende kunstenaars gerekend kunnen worden. In Engeland is de Art Nouveau van het vasteland nauwelijks doorgedrongen. Tot één der weinige aanhangers behoorde de jong gestorven Aubrey Beardsley, die o.a. de illustratie verzorgde van Solomé van Oscar Wilde. De Engelsen hielden vast aan de meer ingetogen kracht van de Arts & Crafts beweging zonder de wulpse golven van de Art Nouveau.

In Glasgow, ontwikkelde zich een zeer eigen Art Nouveau stroming onder de supervisie van de bouwmeester en meubelontwerper Charles Rennie Mackintosh. Hij ontleende geen inspiratie aan de natuur, maar beperkte zich tot rechte, of amper gebogen lijnen en geometrische vormen. René Lalique was de beroemdste juwelier en laliqueglaskunstenaar uit Parijs. Hij ontwierp zowel in Art Nouveau, als later in de Art Deco stijl. Hij maakte vooral furore met zijn ontwerpen, geïnspireerd door vrouwen, libellen, pauwen en bloemen. Hij werkte met uiteenlopende materialen en zeker niet uitsluitend met de kostbaarste. Halfedelstenen en email verwerkte Lalique, samen met Goud, tot prachtige sieraden. Naast Parijs, vormde, zo rond de eeuwwisseling, Nancy een centrum van formaat met zijn Lécole de Nancy, een groep kunstenaars en ambachtslieden, die superieure creativiteit paarden aan hoogstaand vakmanschap en die de uitdaging aangingen die nieuwe technieken en materialen hen boden.

Rond Emile Gallé, die zich specialiseerde in gedecoreerd glas en marqueterie (meubelen met inlegwerk), verzamelden zich de gebroeders Antonin en Auguste Daum, zij werkten vooral met glas, Louis Majorelle, meubels en smeedwerk en vele anderen. Ook de beroemde Muller Freres uit Luneville leerden het vak van Emile Gallé, om zich daarna verder te bekwamen in hun fameuze geslaagde glas en het fluoride geëtste glas. Twee belangrijke namen van eigenzinnige vertolkers van dit genre zijn: de Amerikaan Louis Comfort Tiffany met zijn kleurrijke glas in lood ontwerpen en de galleSpaanse architect Antoni Gaudi, die Barcelona een geheel ander aanzien gaf met zijn grillige, hoogstpersoonlijke ontwerpen. In Wenen wierp de Sezession en de daaruit voortvloeiende Wiener Werkstätte een eigen obligatie schaduw over de heersende Jugendstil, die tot in deze tijd waarneembaar is.

 

Architectuur

De Belgen Horta en Hankar introduceerden de Art Nouveau in 1893 voor het eerst in de architectuur. Kenmerkend voor dit type architectuur viktor hortawaren de aan de bloemen-, planten- en dierenwereld ontleende golvende lijnen, uitgevoerd in flamboyante en soms uiterst grillige vormen. Asymmetrische ornamenten, het werken met vloeiende lijnen, de contrastwerking tussen licht en donker, hoektorens, topgevels, dakkapellen, balkons en Loggia’s (inpandige balkons), grote kozijnen, vaak omgeven door natuursteen. Tegeltableaus, smeed- en houtsnijwerk in Jugendstil ornamenten, gevels en verblendsteen. Voor de bouwkunst bracht de toepassing van het ijzer als nieuw materiaal nieuwe constructieve mogelijkheden, maar de term Jugendstil heeft toch vnl. betrekking op de decoratie van bijvoorbeeld


trapleuningen, gevels, enz. Ijzer leende zich goed voor verwerking tot de sierlijk gebogen vormen waarom de Jugendstil vroeg. De Architecten waren veelal tevens interieurontwerpers, zoals bijv. Antoni Gaudi en Henri Clemens van de Velde. Gewijzigde sociale en economische omstandigheden, toepassing van nieuwe materialen (beton) brachten na de Eerste Wereldoorlog het einde van de Jugendstil. In ons land heeft een sobere variant van deze stijl van omstreeks 1895 tot circa 1905 een kort bestaan gekend. Blijkbaar was de houding in Nederland te nuchter en ingetogen om deze bij uitstek decoratieve bouwstijl volledig tot ontwikkeling te laten komen. Bovendien was deze stijl vanwege de ambachtelijkheid bijzonder kostbaar en om die reden voor relatief weinig opdrachtgevers aantrekkelijk. Ook de meeste architecten waren geen voorstanders; materiaalwetten en eerlijke constructiemogelijkheden sloten een ongebonden en ornamentele vormgeving in hun ogen uit.

Schilderkunst

De Jugendstil is gemakkelijk te herkennen aan de typische vloeiende (wapperende) lijnen. Met name de Lijn speelt door haar zwierige, golvend, organische, beweeglijkheid een belangrijke rol. Men spreekt ook wel van “zweepslaglijn”. De inspiratie komt van de natuur, bloemen en planten, vuur, water en vrouwenfiguren. De Jugendstil kreeg door het werken met vooral de Lijn een sterk decoratief (versierend)karakter. In Nederland sprak men ook wel smalend van de “Slaoliestijl” vanwege een bekend affiche van Calvé slaolie. Bekende persoonlijkheden uit de Jugendstil-schilderkunst zijn: Gustav Klimt (Oostenrijk), Beardsley (Engeland) en Jan Toorop (Nederland). Als we over kunstnijverheid spreken, spreken we over de vormgeving van producten van alledag. Gebruiksvoorwerpen, meubels, behang, textiel, enz. We spreken in dit geval van Toegepaste Kunst. William Morris (tegenstander van machines, en voorstander van het ambacht) heeft de stoot gegeven tot de bezinning op de vormgeving van producten van alle dag (Toegepaste Kunst). Dit in tegenstelling tot een andere pionier op het gebied van Toegepaste Kunst, de Belg Henry van de Velde. Deze man wilde bij het tot stand komen van zijn producten wel rekening houden met het gebruik van machines. Hij is dan ook de grondlegger van wat wij nu Industriële Vormgeving noemen. Oude ambachten en technieken als glasblazen, pottenbakken, edelsmeden werden volgens de ideeën van Morris en van de Velde nieuw leven ingeblazen. Vooral met glas en emaille werden mede dankzij ontwikkelingen op technisch-wetenschappelijk onderzoek geheel nieuwe werkwijze ontwikkeld (lampen, sieraden en vazen). Het gietijzer werd toegepast in geveldecoraties (balkons), hekwerken en trapleuningen.

about the author

No comments

The comments are closed.